Stola's en toga's


U allen, fysiek of digitaal aanwezig bij de afscheidsdienst van ds. Robert Wilschut op 19 juni, was er getuige van. Van het gegeven dat hij zijn eigen stola's aan ons als gemeente cadeau deed.

Die stola's die hij destijds, bij de ingebruikname van ons nieuwe liturgisch meubilair en bij de aanschaf van de nieuwe antependia, had gekocht en die precies bij diezelfde antependia passen. Wat een mooi gebaar was dat, en wat een prachtig geschenk. Ik hoorde dat één van de gastpredikanten al gebruik ervan heeft gemaakt. En dat is precies de bedoeling.

Het leidde ook wel tot wat vragen, die ook al zo af en toe eerder gesteld werden: Waarom draag jíj eigenlijk nooit een stola? Ga je hem nu wel altijd dragen als je voorgaat? Waarom hebben sommige predikanten een witte en andere een zwarte toga aan? Dat zwart is zo somber, wit staat toch veel leuker...
Daarom nu kort even wat uitleg, in zeer grote lijnen:

In de Protestantse kerk zijn niet altijd stola's gedragen. Hoewel liturgische kleding tijdens en na de Reformatie voor een deel gehandhaafd bleef, was er ook een stroming die koos voor de kleding, waarin geleerden in die tijd over het algemeen rondliepen: een zwarte mantel en een witte bef. Om vooral maar duidelijk te maken dat de kleding die iemand droeg, niet van belang was en ook niet van invloed mocht zijn en mocht afleiden.
Een eeuw later raakte het gebruik in zwang dat het zwarte ambtsgewaad alleen maar bij bijzondere gelegenheden gedragen werd. Voor hoogleraren bijvoorbeeld dus bij academische samenkomsten en bij predikanten in de dienst op zondag. Waarna dit gewaad zich ontwikkelde tot een toga, compleet met witte bef en een baret. En het dragen van een dergelijke toga werd in 1854 door de Hervormde Synode aanbevolen. Voorkomen moest in ieder geval dat de kleding die een dominee droeg, zou afleiden van de boodschap die vanaf de kansel verkondigd werd. Dus, neutraal en sober.

In de vorige eeuw ontstond een stroming van liturgische vernieuwing. Daarmee kwam de wens op om in de erediensten nadrukkelijker te gaan 'vieren'. En om hieraan met name uitdrukking te geven door het gebruik van de kleuren van het liturgische jaar, zoals dat gebruikelijk is in andere kerkgenootschappen, met name in de Rooms-katholieke, Lutherse en Anglicaanse kerken. En zo kwam het dat steeds meer lutherse, hervormde en gereformeerde predikanten een soort witte toga gingen dragen (een albe), met daarop een stola
in de kleur van het kerkelijk jaar.
De kleuren van de stola's hebben allemaal zo hun eigen symboliek.
Het wit van de bovengenoemde albe verwijst naar de zondag als de dag van de opstanding en naar de tekst uit Openbaring 7:9 en 13 waar sprake is van een grote schare die niemand tellen kan en die bekleed is met witte gewaden.

Witte stola: kleur van reinheid, licht, feest
Rode stola: kleur van vuur, verwijzend naar de Heilige Geest
Paarse stola: Kleur van inkeer en verootmoediging, ingetogenheid, boete, rouw
Groene stola: kleur van hoop, groei, toekomst

Er is dus grote vrijheid in de keuze van toga en stola. Zoals ook de kleur van het liturgisch gewaad of de toga geen kwestie is van wat mooi staat of niet. Het is een keuze, gebaseerd op de persoonlijke visie van de predikant. Voelt hij of zij zich meer verbonden met de kerkgenootschappen die in deze traditie leven, van de oude kerk van vóór de reformatie? Of staat hij of zij meer in de traditie van de reformatie, en daarmee van de soberheid..?

Ds. V.E. Huls